Kinderen die iemand verliezen hebben begeleiding nodig. Dat weten we allemaal. Maar hoe die begeleiding eruit moet zien? Daar wordt het ingewikkeld. Want wat voor het ene kind werkt, helpt het andere kind misschien helemaal niet.
Kinderen écht zien
Max van Manen schrijft over pedagogische gevoeligheid – het vermogen om te zien wat een kind nodig heeft en daar goed op te reageren (Van Manen, 1991). Bij rouwende kinderen wordt dit nog moeilijker. Het gaat er niet om dat je verdriet herkent. Het gaat erom dat je begrijpt: dit kind heeft een eigen band gehad met degene die is overleden. Dit kind leeft in een eigen gezin, met eigen gewoontes. En dit kind heeft een eigen manier om met moeilijke dingen om te gaan.
Wat onderzoek laat zien
Atle Dyregrov bestudeert al jaren hoe kinderen rouwen. Hij zegt dat kinderen eerlijke uitleg verdienen, op een manier die past bij hun leeftijd (Dyregrov, 2008). Maar zijn onderzoek laat ook iets anders zien: zelfs experts vinden het lastig om te bepalen wanneer rouw bij kinderen ‘mis gaat’. Ze zijn het er wel over eens dat het gaat om hoe heftig reacties zijn, hoe lang ze duren, en of ze maar blijven voortbestaan (Dyregrov et al., 2013). Alleen ziet dat er bij elk kind weer anders uit.
In Nederland heeft Mariken Spuij daar onderzoek naar gedaan. Ze promoveerde op langdurige rouw bij kinderen en jongeren (Spuij, 2014). Wat opviel in haar werk: de vragenlijsten die voor volwassenen gemaakt zijn, werken gewoon niet bij kinderen. Kinderen denken anders, reageren anders, hebben andere behoeftes. Daarom ontwikkelde ze speciale hulp voor kinderen – maar altijd aangepast aan het individuele kind (Spuij et al., 2012).
Leeftijd maakt wel uit, maar niet alles
We weten uit onderzoek dat een vierjarige anders over de dood denkt dan een tienjarige (Piaget, 1929). Dat helpt om kinderen te begrijpen. Tegelijkertijd zijn de verschillen tussen kinderen van dezelfde leeftijd soms enorm.
John Bowlby onderzocht hoe vroege relaties kinderen vormen. Zijn werk laat zien waarom sommige kinderen beter lijken om te gaan met verlies dan anderen – het hangt af van hoe veilig ze zich voelden in hun eerste relaties (Bowlby, 1980). Lev Vygotsky leerde ons dat elk kind andere groeimogelijkheden heeft. Met de juiste steun kunnen kinderen meer dan je verwacht, maar alleen als ze er klaar voor zijn (Vygotsky, 1978).
Wanneer wordt hulp te therapeutisch?
Jan Masschelein, een Belgische onderzoeker, waarschuwt voor iets interessants. Hij ziet dat we steeds meer problemen in het onderwijs willen ‘behandelen’ alsof het ziektes zijn (Masschelein & Blake, 2003). Die waarschuwing geldt ook bij rouwende kinderen. Wanneer wordt begeleiding eigenlijk therapie? En wat gebeurt er als we elk rouwend kind gaan zien als een ‘geval’ dat opgelost moet worden?
Het antwoord zit hem erin dat we de waarde van gewone pedagogische zorg niet vergeten. Rouwende kinderen hebben recht op begeleiding die hun eigen proces respecteert.
Hoe doe je dat dan?
Kijk eerst, handel daarna. Begin met goed observeren. Hoe laat dit kind zien dat het verdrietig is? Waar vindt het troost? Wat doet het als het zich rot voelt? Sommige kinderen praten graag, andere spelen hun verdriet weg, weer andere willen gewoon even met rust gelaten worden.
Let ook op dat een slim zesjarig kind soms al veel meer snapt van de dood dan je zou verwachten. En een ander kind van dezelfde leeftijd heeft juist heel concrete, eenvoudige uitleg nodig.
Kinderen die ‘raar’ reageren zijn niet automatisch een probleem. Soms hebben ze gewoon hun eigen manier gevonden om ermee om te gaan. En die werkt misschien wel beter dan volwassenen denken.
De kunst van het begeleiden
Wetenschappelijke kennis helpt. Het geeft richting, helpt je signalen herkennen. Maar de echte kunst zit hem in het toepassen van die kennis op dit ene, unieke kind dat voor je staat.
Alle onderzoeken wijzen dezelfde kant op: hoewel er patronen zijn in hoe kinderen rouwen, blijft elk rouwproces anders. Als begeleider – of je nu ouder bent, leraar, hulpverlener of iemand anders die betrokken is – is het niet de bedoeling dat je rouw gaat standaardiseren. Het gaat erom dat je veilige ruimte maakt waarin kinderen hun eigen rouwwerk kunnen doen.
Dat vraagt moed. De moed om niet alle antwoorden te hebben. Om onzekerheid te verdragen. Om te vertrouwen dat kinderen zelf de kracht hebben om te rouwen, op hun eigen manier. Het vraagt ook nederigheid: erkennen dat onze handboeken en modellen hulpmiddelen zijn, geen absolute waarheden.
Pedagogische gevoeligheid bij kinderrouw komt neer op één ding: het kind zien zoals het is, niet zoals jij denkt dat het zou moeten zijn.
Bronnen:
- Bowlby, J. (1980). Attachment and loss: Vol. 3. Loss: Sadness and depression. Basic Books.
- Dyregrov, A. (2008). Grief in children: A handbook for adults (2nd ed.). Jessica Kingsley Publishers.
- Dyregrov, A., Salloum, A., Kristensen, P., & Dyregrov, K. (2015). Grief and traumatic grief in children in the context of mass trauma. Current Psychiatry Reports, 17(6), 48.
- Masschelein, J., & Blake, N. (2003). Critical theory and critical pedagogy. In N. Blake et al. (Eds.), The Blackwell guide to philosophy of education (pp. 38-56). Blackwell.
- Piaget, J. (1929). The child’s conception of the world. Routledge.
- Spuij, M. (2014). Prolonged grief in children and adolescents: Assessment, correlates and treatment [Proefschrift]. Universiteit Utrecht.
- Spuij, M., Prinzie, P., Zijderlaan, J., Stikkelbroek, Y., Dillen, L., de Roos, C., & Boelen, P. A. (2012). Psychometric properties of the Dutch inventories of prolonged grief for children and adolescents. Clinical Psychology & Psychotherapy, 19(6), 540-551.
- Van Manen, M. (1991). The tact of teaching: The meaning of pedagogical thoughtfulness. SUNY Press.
- Vygotsky, L. S. (1978). Mind in society: The development of higher psychological processes. Harvard University Press.