Stabiel slecht

door | 25 augustus 2026

Twee jaar kwam ik bij dit gezin. Afgelopen weekend is zij overleden. Haar partner, volledig overrompeld. In zijn woorden: het ging “stabiel slecht”. Er waren gesprekken die niet gevoerd zijn. Reden: er was nog tijd.

Er was geen tijd. Er was een woordcombinatie die deed alsof er tijd was.
“Stabiel slecht” is geen medische term, het is een emotioneel compromis. Het laat de familie het slechte erkennen zonder het acuut te hoeven voelen. Stabiel is het woord dat de rem erin houdt — het suggereert een plateau, een bodem die vasthoudt, iets waar je op kunt wachten tot het weer beweegt. In de palliatieve praktijk is stabiel geen bodem. Het is het waarschuwingsbordje bij de afslag vlak vóór de afdaling. En iedereen leest liever het bordje dan de weg.

Dat is niemands leugen. De arts zegt het misschien zo omdat hij niet elke week opnieuw het slechtnieuwsgesprek wil voeren. De familie herhaalt het omdat het dragelijker klinkt dan het alternatief. En zo bouwt een gezin, met de beste bedoelingen, met liefde zelfs, een taal die precies genoeg waarheid bevat om niet te hoeven liegen, en precies genoeg vaagheid om niet te hoeven handelen.

De rekening
Overbehandeling in de laatste levensfase is inmiddels goed gedocumenteerd: chemotherapie in de laatste maand levert geen overlevingswinst op, wél een slechtere kwaliteit van sterven. IC-opnames vlak voor overlijden nemen toe. Artsen onderschatten stelselmatig hoe weinig tijd er nog rest. Dat is bekend terrein — oncologen en IKNL beschrijven het al. Ik ga daar niet overheen.

Waar ik wél iets aan toe te voegen heb: die rekening wordt niet alleen in behandelingen betaald. Hij wordt betaald in gesprekken die uitgesteld worden tot “als het zover is” — en dan is het zover, in een weekend, en is er geen tijd meer voor het gesprek, alleen nog voor de schrik.

Dit gezin had niet te weinig tijd. Ze hadden twee jaar. Wat ze niet hadden, was een moment waarop er voldoende vertaald werd dat “stabiel slecht” betekent: ze gaat dood en de vraag is niet óf, maar wanneer, en wat gaan jullie nog zeggen tegen elkaar voordat dat gebeurt.

Waarom niemand die vertaling maakt
Niet uit lafheid. Uit een cultuur waarin doorgaan het devies is en stoppen de uitzondering die verantwoord moet worden. Zolang er “nog geprobeerd wordt”, hoeft niemand het woord sterven in de mond te nemen. Vermijding verkleedt zich dan als hoop, en niemand die hoop tegenspreekt zonder zelf de rol van onheilsbode op zich te nemen.
Het makkelijke weerwoord ken ik: wie ben jij om te bepalen dat een gezin dat volhoudt eigenlijk aan het vermijden is? Voor sommigen is doorgaan zelf de vorm waarin ze liefde tonen, en dat is legitiem — als het een keuze is, met open ogen gemaakt. Dit gezin koos niet. Ze dreven, op een woordcombinatie die net genoeg comfort bood om niet te hoeven kiezen. Dat verschil — bewuste keuze versus taal die de keuze overbodig maakt — is precies waar dit stuk om draait.

Wat een kind daarvan meekrijgt
De twee tieners in dit gezin hoorden dezelfde taal als de volwassenen: stabiel slecht, nog tijd, we zien wel. Kinderen zijn niet te jong voor de waarheid — ze zijn te vaak de laatste die hem krijgen, omdat volwassenen eerst zelf nog even in de vertraagde versie willen geloven. Wat een kind dan meekrijgt is geen bescherming, maar een overrompeling met vertraging: het overlijden zelf, plus de schok dat er kennelijk al die tijd iets bekend was dat niemand voldoende had gezegd.

Geen pleidooi tegen behandelen
Dit is geen pleidooi om te stoppen met behandelen. Het is een pleidooi tegen de taal die het stoppen van het gesprek — niet van de behandeling — onzichtbaar maakt. Bij elke “stabiel” hoort de vraag: stabiel ten opzichte van wat, en voor hoelang, en wat gaan we doen met de tijd die daarmee gekocht wordt. Niet als verwijt. Als het enige eerlijke gebruik van een woord dat anders alleen maar rust verkoopt.

Haar partner is nu niet alleen weduwnaar. Hij is iemand die twee jaar dacht dat hij tijd had, en een weekend kreeg om erachter te komen dat dat niet klopte.